Uitgever 2.0
'Uitgever 2.0' was tot oktober 2013 het bedrijfsblog van Eburon-uitgever Wiebe de Jager, over de ontwikkelingen in uitgeefland en de toekomst van het boek. Wiebe is nu o.a. betrokken bij Wearable en Dronewatch. Eerder richtte hij eReaders.nl op.

Bekijk alle eerdere berichten van Wiebe

Bekijk het actuele bedrijfsblog van de Eburonen

Uitgever 2.0: uitgeverij blog van Wiebe de Jager
Over Eburon

Academische Uitgeverij Eburon verzorgt uitgaven in opdracht van organisaties, promovendi en andere individuele auteurs, en helpt hen bij het beheren en exploiteren van hun eigen werk. U kunt op onze website direct boeken bestellen of een voorstel indienen voor uw uitgave. Lees meer>>

Checklist voor non-fictie schrijvers

Wiebe de Jager
15985 keer gelezen
Foto: (cc) Philip Cummings (bron: Flickr.com)

Je hebt een nieuwe marketingtheorie bedacht, wilt iemands levensloop documenteren of hebt als zzp-er ervaringen opgedaan die je met iedereen wilt delen. Je kunt natuurlijk een blog gaan bijhouden of een artikel schrijven in een dagblad of tijdschrift. Maar wil je je theorie echt tot in detail onderbouwen, die levensloop flink uitdiepen of tientallen ervaringen delen, dan publiceer je idealiter een boek. Al dan niet digitaal. Maar hoe pak je dat aan? Hoe kom je van theorie of ideeën tot boek?

Deze checklist maakt deel uit van De schrijfbijbel, die in februari 2013 verscheen

Bij een non-fictieboek zijn er twee zaken van groot belang: je hebt een boodschap die je wilt overdragen, en de lezer moet vertrouwen krijgen in jouw boodschap. Dat laatste gaat niet vanzelf, tenzij je al enige bekendheid geniet. Maar ook al ben je een bekende wetenschapper, je zult je boodschap moeten onderbouwen. Met cijfers. Met referenties. Met verwijzingen naar andere boeken of artikelen. Het onderbouwen is de basis van elk non-fictie boek. Zonder onderbouwing staat jouw betoog los van de werkelijkheid en wordt je boek niet snel serieus genomen.

Het eigenlijke schrijfproces begint voor non-fictie schrijvers dus allang voordat je ook maar één zin op papier hebt gezet. Je begint vaak met het bijhouden van bronnen. Dat kunnen krantenknipsels zijn waar je een datum op schrijft (in verband met een correcte vermelding in de literatuurlijst later) en die je bewaart in een mapje. Dat kunnen hyperlinks zijn die je in je ‘favorieten’ van je browser opslaat. Dat kunnen gele post-its zijn die je uit de zijkant van een stapel boeken laat steken. Het is belangrijk dat je later kunt herleiden welke bronnen hebben bijgedragen aan jouw theorie of idee, zodat je lezers van jouw boek op weg kunt helpen als ze meer willen weten over het onderwerp waar jij over schrijft. En zodat ze kunnen nagaan waarop hetgeen dat jij vertelt gebaseerd is. Daarmee geef je je boek ook extra autoriteit mee.

Om te voorkomen dat jouw bronnenapparaat onoverzichtelijk wordt naarmate je meer materiaal verzamelt doe je er verstandig aan om je bronnen te gaan clusteren. Doe je geschiedkundig of biografisch onderzoek? Cluster je bronnen dan op periode, of op één of meer personen. Denk aan verslaglegging van een bepaalde periode, zoals een boek over de Tweede Wereldoorlog, of aan een beschrijving van de levensloop van een bekend persoon. Heb je een baanbrekende theorie bedacht die je wereldkundig wilt maken? Probeer dan je theorie in meerdere onderdelen uit te werken en zoek per onderdeel bewijsmateriaal of bronnen die jouw theorie staven. Wil je praktijkervaringen delen? Kies dan thema’s waaronder je de ervaringen kunt scharen. Als je het clusteren slim aanpakt, ontstaat er meteen een begin van een structuur voor je boek.

Check je bronnen

Alleen het bijhouden van bronnen is niet genoeg: je bronnen moeten ook betrouwbaar zijn. En juist in het internettijdperk wil dit weleens problematisch zijn. Want iedereen kan op internet schrijven wat hij of zij wil, zonder dat hier enige controle aan vooraf is gegaan. Dat is niet erg, totdat blijkt dat jouw betoog is gestoeld op onzinargumenten van een ander. Om dat te voorkomen sla je niet alleen al je bronnen punctueel op, maar onderzoek je ook of je bronnen wel betrouwbaar zijn.

Wanneer is een bron betrouwbaar? Dat is soms lastig te zeggen. Toch zijn er wel een aantal aspecten waarop je ze kunt beoordelen. Het belangrijkste aspect is misschien wel wie er achter de bron in kwestie zit. Zodra het niet meteen duidelijk is wie er achter een blog, artikel of lemma op Wikipedia zit dan doe je er verstandig aan om het betreffende materiaal met een flinke korrel zout te nemen. Wie zich namelijk verschuilt achter inhoud zonder zichzelf prijs te geven, die heeft misschien wel onvoldoende vertrouwen in z’n eigen beweringen, tenzij de betreffende schrijver er om politieke of andere redenen belang bij heeft om anoniem te blijven (maak daar dan expliciet vermelding van).

Krijg je wel een naam te zien bij de bron, zoek die persoon dan eens op in Google. Krijg je meer artikelen te zien van die persoon? Zo ja, gaan die over dezelfde of aanpalende onderwerpen? Wat doet de persoon in kwestie voor de kost? Is hij of zij vindbaar op LinkedIn? Is het iemand die op professionele of journalistieke basis schrijft, of betreft het een hobbyblogger of zelfbenoemd expert op een bepaald onderwerp? Niet dat er iets mis is met hobbybloggers of autodidacten, maar het kan aanleiding zijn om net even iets verder te graven.

Je bron kan natuurlijk ook afkomstig zijn uit een academische omgeving, gepubliceerd zijn door een gerenommeerd tijdschrift of op een bekende website. Maar zelfs dan doe je er verstandig aan om kritisch te zijn. Want ook in academische kringen worden er wel eens onderzoeksgegevens vervalst of baseert men zich op uitspraken van anderen die later discutabel blijken te zijn. Probeer dus altijd om meerdere bronnen te vinden die los van elkaar jouw standpunt of theorie onderbouwen.

Hetzelfde geldt voor artikelen uit kranten en tijdschriften. Het spreekwoord luidt niet voor niets ‘de krant brengt de leugen in het land’. Journalisten mogen dan een vakopleiding gedaan hebben waarin ze geleerd wordt om te checken en te dubbelchecken. In de praktijk blijkt dat ook journalisten zich soms baseren op tweets of blogs van een dubieuze afzender. Naarmate de grenzen van journalistieke media vervagen wordt een kritische houding jegens bronmateriaal alleen maar belangrijker.

Hoe vermeld je je bronnen? Je kunt bij een non-fictie boek het beste een academische wijze van bronvermelding aanhouden. Maak achterin het boek een opgave van de door jou geraadpleegde literatuur en websites. Zet daarbij in ieder geval de naam/namen van de auteur(s), de titel van het boek of tijdschrift en datum van publicatie. Bij hyperlinks zet je de datum van opvragen neer. Naast het literatuuroverzicht kun je in de lopende tekst voetnoten plaatsen. Bij citaten plaats je de letterlijke tekst van het citaat tussen aanhalingstekens en maak je tussen haakjes duidelijk van wie het citaat afkomstig is.
Wil je meer weten over verschillende academisch geaccepteerde manieren om bronnen te vermelden, Google dan eens op ‘APA richtlijnen’ of bekijk de ‘Chicago Manual of Style’.

Wikipedia, wel of niet?

Als het in een encyclopedie staat, dan is het waar. Onzin natuurlijk, maar lange tijd werd er zo wel over het fenomeen encyclopedie gedacht. Sinds de opkomst van Wikipedia is er veel discussie ontstaan over de geloofwaardigheid van online encyclopedieën. Immers, iedereen met een internetverbinding kan een lemma op Wikipedia aanmaken en er de grootste onzin verkondigen. Nu is het wel zo dat Wikipedia gebaseerd is op zelfregulatie: elk nieuw artikel (of elke wijziging in een bestaand artikel) wordt beoordeeld door een vaste kern van medewerkers. Een pagina met onzin erop of vandalisme op bestaande pagina’s wordt meestal binnen enkele minuten verwijderd.

Dat neemt niet weg dat er grenzen zijn aan het zelfcorrigerende mechanisme van Wikipedia. Soms glipt er ongeverifieerde informatie door de mazen van het controlesysteem. En als er maar één persoon ter wereld verstand heeft van een heel specifiek onderwerp, wie kan dan controleren of hetgeen die persoon op Wikipedia zet wel klopt? Wees dus voorzichtig met informatie die je op Wikipedia vindt, doe indien mogelijk een extra check op de informatie en kijk goed welke bronnen er bij het artikel aangehaald worden. Gebruik Wikipedia als startpunt van je onderzoek, niet als eindpunt.

Auteursrecht

Als je eenmaal zeker bent dat je bronnen voldoende betrouwbaar zijn en je gaat ze opvoeren in jouw boek, dan moet je rekening houden met het auteursrecht. Het is immers niet zomaar toegestaan om teksten of afbeeldingen over te nemen. Het citaatrecht geeft je als non-fictie auteur echter voldoende mogelijkheden om bronmateriaal of delen van andermans tekst op te nemen in je boek. Je mag bijvoorbeeld illustraties uit een boek, artikel of website publiceren, zo lang de figuur of illustratie je betoog ondersteunt en het duidelijk is wie de oorspronkelijk auteur is. Dit geldt ook voor citaten: je mag letterlijk (korte) tekstfragmenten overnemen, zo lang je deze maar als citaat aanmerkt door ze tussen aanhalingstekens te plaatsen en direct achter het citaat of in een voetnoot aan te geven van wie het citaat afkomstig is en in welke bron het citaat gepubliceerd werd.

Op alles wat gepubliceerd wordt is automatisch het auteursrecht van toepassing. Je hoeft dus eigenlijk geen copyrightmelding op te nemen in het colofon van je boek om ervoor te zorgen dat je tekst beschermd is. Toch doe je er verstandig aan om de lezer erop te wijzen wat hij wel of niet mag doen met de inhoud van je boek. Je kunt ervoor kiezen om vast te houden aan het traditionele copyright, of je kunt een wat modernere creative commons-licentie van toepassing laten zijn op je boek. Zo’n licentie geeft je wat meer mogelijkheden om te bepalen wat men wel of niet mag doen met jouw werk en hoe jij bij eventuele verspreiding van het werk door derden als auteur vermeld moet worden.

Houd er ook rekening mee dat het auteursrecht van toepassing is op de letterlijke weergave van jouw ideeën. Als iemand anders er met jouw ideeën vandoor gaat, zonder ze letterlijk over te nemen, dan kun je daar op grond van het auteursrecht weinig aan doen. Zo had ik ooit een gesprek met een auteur die erover twijfelde om haar ideeën in boekvorm te publiceren, bang als ze was dat anderen ermee aan de haal zouden gaan. Ze vroeg me of het auteursrecht hier voldoende bescherming tegen zou bieden. Mijn antwoord was dat dit niet het geval is, waarop ze dan maar geheel af wilde zien van publicatie. Mijn repliek was dat ze er juist beter voor kon zorgen dat haar naam voor altijd geassocieerd zou worden met haar theorie, juist door het als eerste te publiceren.

Doelgroep

Als het goed is heb je nu een structuur voor je boek en heb je kwalitatief goede en betrouwbare bronnen. Voordat je begint met schrijven is het goed om na te denken over de doelgroep. Voor wie schrijf je het boek eigenlijk? Welk kennisniveau veronderstel je bij de lezer?

Het is erg belangrijk om tijdens het schrijven uit te gaan van je lezer. Want naast het taalgebruik (informeel, formeel of zelfs academisch taalgebruik) is het ook van belang dat je het niveau van de lezer goed inschat. Want als je elk basiselementje van jouw theorie of model uitgebreid gaat toelichten wordt het al snel een bijzonder saai en (te) omvangrijk boek, tenzij je schrijft voor personen die echt nog niets weten van jouw onderwerp. Probeer je dus in te leven in de lezer en denk na over de vraag hoe je de doelgroep voor jouw boek het beste kunt aanspreken.

De Engelsen hebben een mooie term hiervoor: implied audience, ofwel denkbeeldig publiek. Sommige auteurs nemen iemand die ze kennen in gedachten tijdens het schrijven: een vriend, familielid of collega. Steeds als ze zich afvragen of een bepaalde passage wel helder omschreven of voldoende onderbouwd is nemen ze die virtuele lezer in gedachten. Hoe zou hij of zij reageren op de passage in kwestie? Is verdere uitleg noodzakelijk? Zou de virtuele lezer voldoende vertrouwen hebben in de passage of is een extra bronverwijzing gewenst?

Er is nog een andere reden om goed na te denken over je doelgroep. Nog voordat het boek gedrukt is begint de volgende stap in het uitgeefproces: de marketing van het boek. Hoe goed een boek ook geschreven is, als de doelgroep niet op een zeker moment van het boek te horen krijgt - via een recensie, een aanbeveling door een bekende of een advertentie - dan bestaat het boek voor hen simpelweg niet. Met het goed afbakenen van je doelgroep sla je dus twee vliegen in één klap: je boek sluit beter aan bij de belevingswereld van de lezer en je hebt een uitgangspunt voor de marketing verderop in het uitgeefproces.

Helaas maak ik soms mee dat schrijvers vol enthousiasme aan een boek zijn gaan schrijven zonder eerst na te denken over de vraag wie zich überhaupt zou kunnen interesseren voor hun ideeën. Het is bijzonder pijnlijk om dan te moeten vertellen dat er waarschijnlijk niemand zit te wachten op hun boek. (Nog pijnlijker is het trouwens als later blijkt dat je de plank mis hebt geslagen en het boek elders alsnog een groot succes is geworden…)

Structuur

Naast je boodschap en de bronnen die je boodschap ondersteunen is er nog een aspect van groot belang bij het schrijven van een non-fictie boek: structuur. Zonder structuur is het lastig om je eigen gedachten te ordenen en daardoor heb je kans dat je lezer snel afhaakt. Jij hebt dan misschien wel jaren nagedacht over je theorie en kunt daardoor in gedachten stappen overslaan zonder dat je betoog in jouw beleving aan logica inboet, maar voor iemand die voor het eerst kennis maakt met jouw ideeën ga je veel te hard.

Denk aan een wiskundeproefwerk: als je niet liet zien hoe je tot jouw antwoord kwam, was het antwoord fout. Zo werkt het ook met een non-fictie boek. Begin dus niet met het opschrijven van je conclusie, maar begin bij het begin en ondersteun je betoog met een heldere structuur. Je kunt zelfs overwegen om je boek-in-wording onder te verdelen in mapjes op je harde schijf. Geef elk mapje een volgnummer en een logische naam. Later worden dit de hoofdstukken in je boek. In het mapje sla je de concepthoofdstuktekst op, en maak je een documentje aan met een overzicht van de voor dat hoofdstuk relevante bronnen die je hebt geraadpleegd. Je kunt het houden bij eenvoudige verwijzingen, of een stap verder gaan en kopietjes of scans van het bronmateriaal opslaan.

De hoofdstukken bepalen op het hoogste niveau de structuur van je boek. De hoofdstuktitels dwingen je om je theorie of betoog op te knippen in logische onderdelen. Per hoofdstuk kun je met subkoppen eventueel extra structuur aanbrengen. Voorkom dat het ene hoofdstuk maar een of twee subkoppen heeft en het andere meer dan tien en voorkom daarmee dat de lezer de indruk krijgt dat je moeite hebt om hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden. Als je in het ene hoofdstuk toch veel meer informatie kwijt wilt, dan moet je je indeling misschien herzien.

Hapklare brokken

Een goed hulpmiddel bij het schrijven van een hoofdstuk is het opdelen van elk hoofdstuk in hapklare brokken. Die brokken hoeven voor de lezer niet direct zichtbaar te zijn door er bij wijze van spreken een kader omheen te plaatsen het gaat erom dat je het begripsvermogen van de lezer niet op de proef stelt door in korte tijd te veel informatie te willen geven. Je kunt jezelf bijvoorbeeld voornemen om elk element uit je theorie of elke stap in je betoog te laten bestaan uit vijf alinea’s. Zo creëer je ritme in je betoog en bevorder je de leesbaarheid van je tekst. De grootte van de afzonderlijke ‘brokken’ is afhankelijk van het kennisniveau van de doelgroep van jouw boek.

Probeer te voorkomen dat je de lezer beschiet met een staccato aan tekstfragmentjes. Breng je ideeën in vloeiende stappen over op de lezer. Zorg dat je boek een hartslag krijgt, door ritme en structuur goed op elkaar af te stemmen. Zie je boek als een huis, waarbij bakstenen onderdeel zijn van muren en muren op hun beurt onderdeel zijn van het geraamte van het huis. De hapklare brokken zijn de bakstenen, de muren zijn de subkoppen en de hoofdstukken de kamers in het huis. Als de indeling niet klopt, moet je net zolang schuiven met muren tot je wel op een logische manier door je huis loopt.

Je kunt deze hapklare brokken later misschien op een heel andere manier hergebruiken. Want wie zegt dat je kennis alleen in de vorm van een boek wereldkundig gemaakt moet worden? Misschien heb je wel een eigen website waar je ook enkele van deze brokken uit je manuscript kunt publiceren. Dit om aandacht te generen voor je boek, of om jouw ideeën een zo groot mogelijk podium te geven. En soms kan het slim opnieuw aan elkaar rijgen van bouwstenen uit je boek leiden tot heel andere publicatievormen, zoals een artikel voor in een tijdschrift.

Digitaal publiceren

Je komt bij het uitgeven van je boek voor nog een belangrijke keuze te staan: breng je het boek alleen in gedrukte vorm op de markt, of komt er ook een e-bookuitgave? En zo ja, wat moet er dan nog gebeuren om dit mogelijk te maken? Digitaal lezen staat zelfs anno nu in Nederland nog in de kinderschoenen. De markt voor digitale boeken bedraagt nog geen 3% van de totale markt, blijkt uit cijfers van GfK. Maar de populariteit van digitaal lezen groeit snel, mede door de opmars van tablets en andere apparaten waarop digitaal gelezen kan worden.

Het voordeel van een digitaal boek is dat er geen druk- en distributiekosten zijn. Het digitale boek kan in theorie dus lager geprijsd worden dan het fysieke boek en toch hetzelfde opleveren. Nadelen zijn er ook: een digitaal boek kan redelijk eenvoudig gekopieerd en verspreid worden, zelfs als het e-book voorzien wordt van Digital Rights Management (kopieerbeveiliging). Je kunt je als non-fictie auteur natuurlijk afvragen waar je uiteindelijk het grootste belang bij hebt: inkomsten uit boekverkoop of een zo groot mogelijke verspreiding van je ideeën. En zoals veel schrijvers van studieboeken kunnen beamen: ook fysieke boeken worden gekopieerd en onder studenten verspreid.

Als je openstaat voor digitaal uitgeven, dan ligt het voor de hand om zowel een papieren boek als een digitaal boek op de markt te brengen, met dezelfde inhoud en hetzelfde omslagontwerp. Alléén een e-book op de markt brengen kan natuurlijk ook. E-books bieden mogelijkheden die gewone boeken niet bieden, zoals het insluiten van videobeelden of werkende links (bijvoorbeeld naar bronnen op internet of ander achtergrondmateriaal). Dat biedt een non-fictie auteur interessante opties: denk aan geschiedenisboeken met videofragmenten van belangwekkende gebeurtenissen, of scheikundeboeken waarbij je complexe chemische reacties stap voor stap in een animatie kunt bekijken. Bedenk wel dat de e-bookstandaarden nog volop in ontwikkeling zijn en wat op een iPad werkt, werkt misschien niet op een andere tablet of op een ereader.

Daar komt bij dat non-fictie boeken met veel afbeeldingen of tabellen soms erg lastig zijn om te converteren naar het ePub-formaat, de (in principe) wereldwijde standaard voor e-books. Dat komt door het feit dat ePub e-books ‘reflowable’ zijn. Dat wil zeggen dat de paginaopmaak zich automatisch aanpast aan de schermgrootte van het apparaat waarop het e-book gelezen wordt. Dat kan soms tot hoofdbrekens leiden bij grafisch complexe boeken en sommige auteurs kiezen er dan ook voor om hun boek niet in digitale vorm te publiceren.

Bedenk dat een digitaal boek niet ‘minderwaardig’ is aan een gedrukt boek. Uiteindelijk is het gewoon een andere verschijningsvorm van hetzelfde werk. Over een paar jaar zal digitaal lezen waarschijnlijk net zo ingeburgerd zijn als lezen van papier. Als je me niet gelooft, kijk dan eens naar de manier waarop jongeren met informatie omgaan. Zij hechten veel minder belang aan fysieke dragers, maar des te meer aan de sociale inbedding van informatie.

De schrijfbijbel: De beste redacteuren van Nederland over het schrijven van een goed boek'De schrijfbijbel: de beste redacteuren van Nederland over het schrijven van een goed boek' (ISBN: 978-94-9155-300-4) is een uitgave van Tenpages.com. Het boek kost 16,95 en is onder andere te verkrijgen in de boekhandel en via Eburon.





Wearable technology magazine - met o.a. het laatste nieuws over Google Glass
Copyright © 2013 Eburon.nl.